ECOLOGIE EN VISMIGRATIE

De werkgroep VBC Rijn en IJssel is actief in een gebied waar vismigratie zeer actueel is. Er liggen verschillende verstuwde beken die op den duur voor een groot deel vispasseerbaar moeten worden gemaakt. Een aantal beken heeft een zeer hoge ecologische waarde vooral in de bovenloop. Het unieke is dat de beken nog een natuurlijk karakter hebben wat voor veel trekvissen ideaal is voor de voortplanting of als habitat. Omdat deze fraaie bovenlopen allemaal geisoleerd liggen van de grote rivieren vind er nog geen uitwisseling plaats van vissen vanuit de beek richting rivier en andersom. De sportvisserij zet zich al jaren in om dit mogelijk te maken. De belangrijkste partner in het vispasseerbaar maken van stuwen in dit gebied is Waterschap Rijn en IJssel. Op veel plaatsen is al begonnen met de aanleg van vispassages zoals bijvoorbeeld in de Groenlose slinge, Berkel, Schipbeek en Oude IJssel.

Enkele belangrijke migratie routes voor vis zijn vanaf de Gelderse IJssel richting Boven Slinge en Groenlose Slinge. Hiervoor moeten alle stuwen in de Oude IJssel en Berkel ook passerbaar worden gemaakt. Gelukkig is het waterschap hier al mee gestart, er is daarom goeie hoop dat er uiteindelijk een vrije optrek mogelijk is voor vissoorten als bijvoorbeeld de winde, serpeling en kopvoorn.

Bij vismigratie draait het niet alleen om het passeerbaar maken van stuwen maar ook om de inrichting en het beheer dat wordt gevoerd in de beken. Variatie in substraatvormen en structuren binnen de leefomgeving van de vis maakt het water geschikt voor verschillende vissoorten en verschillende levensfasen van de vis.

Variatie en soortenrijkdom

Een afwisselende wateromgeving vormt een lappendeken aan geschikte leefgebieden voor verschillende vissoorten. Hoe meer variatie, des te meer vissoorten er een plekje vinden met omstandigheden waaraan ze specifiek zijn aangepast, en waar ze predatoren en concurrenten kunnen vermijden. Maar ook voor de afzonderlijke vissoorten zelf moet de omgeving interne variatie bieden. De omgeving waarin een vis paait, verschilt veelal van de plek waar de jonge vissen vervolgens opgroeien. Op hun beurt foerageren en schuilen volwassen vissen vaak op andere plaatsen dan de jonge vissen. De plaats waar zoetwatervissen overwinteren ligt vaak ergens anders dan het zomerleefgebied.

De omvang van het leefgebied

Zoetwatervissoorten verschillen onderling nogal in het benodigde leefareaal. De jaarrond leefomgeving van een grote modderkruiper is veel kleiner van omvang (vanaf enkele vierkante meters) dan die van een trekvis als de zalm (duizenden hectaren). De eerste heeft aan een klein leefgebied met de noodzakelijke ingrediënten voor zijn levenscyclus genoeg. Het opgroeigebied van de zalm op zee ligt ver weg van de paaibedden in de bovenstroom van een rivier.

Verbindingen en barrières

Natuurlijke verbindingen zijn voor zoetwatervissen van groot belang voor zowel de verspreiding van de soorten als de migratie van en naar paai-, opgroei- en voedsel- en overwinteringsgebieden. Natuurlijke barrières, zoals gebergten of -voor zoetwatervissen -zeewater, kunnen de verspreiding van vissoorten verhinderen. De stand van de uitheemse snoekbaars bijvoorbeeld kon zich pas onder de geschikte situatie in de Nederlandse binnenwateren ontwikkelen, nadat de vis in 1888 was uitgezet.

Meer over vismigratie